Gekende landschappen rond de kernen Bakkum, Castricum, Limmen, Akersloot, De Woude en Uitgeest

Gekende landschappen (header)
Het blokvormige kavelpatroon van de Westwouderpolder
Het blokvormige kavelpatroon van de Westwouderpolder

Niet alleen de duinen maar ook hoogveengebieden kunnen veel water vasthouden. Heel lang geleden gebeurde dat in het achterland toen de waterafvoer stagneerde. In meertjes en poelen met rustig water zorgen water‐ en oeverplanten voor een organische massa die onder zuurstofarme omstandigheden niet meer verteert waardoor er verlanding optreedt. Dit verlandingsproces zet zich voort totdat deze veenlaag zich boven het water uit gaat werken. Broekbossen en veenmossen nemen dan de taak over en er ontstaat hoogveen dat zich meters boven de waterspiegel kan ophogen. Hoogveen houdt enorme hoeveelheden regenwater vast. Ten oosten van Akersloot en Uitgeest ontwikkelde zich een enorm uitge­strekt hoogveengebied. Aan de randen van het veengebied kwam het water weer te voor­schijn. Veenriviertjes met namen als Bamestra, Scirmere, Stierop, Zaan, Crommenije en Wormer stroomden uit de hoogvenen en voerden het zure, mineraalarme water af naar zee. De Limmer‐ en Heilooër Dieën zijn ook restanten van oude veenrivieren. Bevolkingsgroei en een droger klimaat in de Middeleeuwen was er de oorzaak van dat bewoners op den duur de veengebieden introkken.

Het veenontginningsgebied Zeevang laat meer een planmatige aanpak zien met lange kavelstroken. Uit: Canon van Waterland
Het veenontginningsgebied Zeevang laat meer een planmatige aanpak zien met lange kavelstroken. Uit: Canon van Waterland

Vanuit de veenriviertjes werden sloten gegraven om het veen te ontwateren. Opmerkelijk is dat de duinrandpolders grillige kavelpatronen vertonen. Waar­schijnlijk werden er sloten gegraven naar de vele aanwezige natuurlijke waterlopen. De Westwouderpolder laat meer een blokvormig kavelpatroon zien. Meer naar het oosten waren de vroegere ontginningen grootschaliger en planmatiger met langgerekte kavels. Veenont­ginningen maakten landbouw mogelijk en men won tevens baggerturf als brandstof voor eigen gebruik.

Aanvankelijk bleven de desastreuze gevolgen van de veenontginningen nog uit het zicht, maar door ontwatering klinkt het veen in en wordt het tevens blootgesteld aan zuurstof. Het contact met zuurstof brengt een chemische afbraak op gang, waardoor het veen als kooldioxide in de lucht verdwijnt. De mens had, zonder het te beseffen, zelf schuld aan het feit dat de zee meer grip kreeg op het Noord‐Hollandse veengebied. Bij Texel werd de duinenrij doorbroken en het zeewater sloeg het achterliggende veengebied uiteen. De eb‐ en vloedstromen voerden het stukgeslagen veen af naar zee en midden in het veengebied ontwikkelde het Flevomeer/Almere zich tot Zuiderzee. Vanuit de Zuiderzee kon het water via het IJ en het Wijkermeer en De Dije ook tot aan Castricum doordringen. Een andere bedreiging vormde een duindoorbraak tussen Petten en Callantsoog. Het zeewater drong bij hevige stormen via de Zijpe en het riviertje de Rekere door tot voorbij Alkmaar. Het water­gevaar kwam dus van twee kanten. Uit die tijd stammen ook de pikklei afzettingen die op vele plekken dicht onder de oppervlakte liggen.

Het hoogveenmassief achter Akersloot werd gegeseld door stormvloeden met vriendelijke namen als St. Elizabethsvloed, St. Michielsvloed en Allerheiligenvloed. Het veen sloeg weg en er ontstond een langgerekt meer, met de voor de hand liggende naam 'Langemeer'. Ook ontstonden de andere grote meren als Schermer en Starnmeer. De monniken van de Egmondse abdij gingen het watergevaar te lijf met een oplossing, waar Hollanders bekend mee zijn geworden. Dijkenbouw moest het resterende land beschermen en vele dijken waaronder de Zanddijk bij Bakkum en de Limmerdam tussen Limmen en Akersloot staan op hun naam. Uiteindelijk hebben waterschappen voor definitieve veiligheid gezorgd door regulering van de waterproblematiek via uitgebreide bedijkingen en bemaling. Ook rond Castricum was bemaling nodig, omdat de grote hoeveelheid water uit de duinen voor overlast zorgde. Volgens een Octroij van de uijtwateringe der Duinen uit 1613 werd voor het water uit de duinbeken een Bequame afvoer tussen twee Kadijcken gemaakt die het water naar het Uitgeestermeer leidde. Het afwateringswatersysteem kon pas echt goed werken door de bouw van achtkantige watermolens bij Uitgeest. Toch was de wateroverlast niet definitief verdwenen getuige het verhaal uit de winter van 1804. De koetsier van de postkoets van Alkmaar naar Haarlem zag door de overvloed aan water bij Castricum het verschil niet meer tussen de weg en de sloot. Met koets en al raakte hij te water. De naam Soomerwegh verwijst naar een vroegere verbindingsroute tussen Limmen en Castricum die alleen 's zomers begaanbaar was. De Limmervoort (waar nu een brug ligt) verwijst naar een voorde, een oversteekplaats, in de Schulpvaart.