Gekende landschappen rond de kernen Bakkum, Castricum, Limmen, Akersloot, De Woude en Uitgeest

Gekende landschappen (header)
Omstreeks 500 v. Chr. is de kustlijn nog verder naar het westen opgeschoven en het zeegat smaller geworden. Aan beide zijden van het zeegat hebben zich brede strandwallen met lage duintjes gevormd. Door het smalle zeegat en de verdere ontwikkeling van de binnendelta kan de zee steeds moeilijker het achterland binnendringen. Naar P. Vos, Deltares, bewerkt
Omstreeks 500 v. Chr. is de kustlijn nog verder naar het westen opgeschoven en het zeegat smaller geworden. Aan beide zijden van het zeegat hebben zich brede strandwallen met lage duintjes gevormd. Door het smalle zeegat en de verdere ontwikkeling van de binnendelta kan de zee steeds moeilijker het achterland binnendringen. Naar P. Vos, Deltares, bewerkt

De kustlijn schoof nog verder naar het westen op (in het noorden zelfs westelijker dan de huidige kustlijn) en het zeegat werd smaller. Aan beide zijden van het zeegat ontwikkelden zich brede strandwallen met lage duintjes. Door het smalle zeegat en de verdere ontwikkeling van de binnendelta kon de zee steeds moeilijker het achterland binnendringen en werd ook de strandvlakte tussen Akersloot en Limmen een moeras. Op het oude strandzand en de latere wadafzettingen ontstond ook hier veen. In het gebied ten oosten van de strandwal Akersloot-Uitgeest ging de veenvorming door. Het veenpakket werd zo dik dat de planten niet meer gevoed werden door grond­water, maar door regenwater. Er ontstonden dikke veen­moskussens die meters boven de zeespiegel uitgroeiden en hoogveen worden genoemd.

Omstreeks 500 v. Chr. is de kustlijn nog verder naar het westen opgeschoven en het zeegat smaller geworden. Aan beide zijden van het zeegat hebben zich brede strandwallen met lage duintjes gevormd. Door het smalle zeegat en de verdere ontwikkeling van de binnendelta kan de zee steeds moeilijker het achterland binnendringen. Naar P. Vos, Deltares, bewerkt.

De wateractiviteit in de binnendelta van het Oer‐IJ nam na 500 v. Chr. geleidelijk af. Het Flevomeer had in het noorden dwars door het veen en het getijdengebied een verbinding met de Noordzee gekregen. Het Flevomeer waterde steeds meer naar het noor­den af en daardoor verminderde de waterafvoer via het Oer‐IJ. Doordat de stroming eruit raakte, verzandde de binnendelta en breidden de kustduinen zich over het mondingsgebied uit. Omstreeks 200 v. Chr. werden de drooggevallen platen en oeverwallen in het binnen­deltagebied voor bewoning in gebruik genomen.